Schermcolumn

 De grootste kick

Als kersvers student in een nieuwe stad is het zaak om je zo snel mogelijk een identiteit aan te meten die voorkomt dat je nog vóór het eind van je propedeuse vriendenloos, kwijlend en roepend om je moeder in de goot belandt. Om die reden sluiten sommigen zich aan bij een studentenvereniging. Anderen nemen een hobby. Ze gaan toneelspelen bij het Universiteitstheater, roeien bij Skøll of, als je echt fanatiek bent, bij Nereus. Of ze storten zich in het nachtleven.

Ik werd schermer.

Mijn aantrekkingskracht voor deze ‘magische’ sport had haar wortels in de film By The Sword, op grond waarvan ik in de veronderstelling verkeerde dat schermen een sport was: (één) voor bijzonder intelligente en sensitieve mensen (wilde ik zijn), (twee) die niemand begreep (dús altijd een uitstekend gespreksonderwerp bij de hand) en (drie) zich afspeelde in zalen van allure met hoge boogramen van glas-in-lood (iets waarvoor ik van jongsaf aan reeds gevoelig was).

Zo kwam ik terecht bij Contre Temps, alwaar bij mijn eerste kennismaking zo’n beetje iedere illusie die ik me had gemaakt, hardhandig werd ontkracht. De ‘zaal van allure’ was in werkelijkheid een klein, zweterig sportzaaltje met een gemengde douche waarvoor je niet ‘faint of heart’ moest zijn. De ‘bijzonder intelligente en sensitieve’ mensen bleken bijzonder stinkende sporters in ongewassen pakken die er genoegen in schepten elkaar, onder het slaken van onwaarschijnlijke kreten (“Hoppa!”), zo veel en zo groot mogelijke blauwe plekken te bezorgen. En ook als gespreksonderwerp was het niet helemaal wat ik ervan had verwacht. In gesprekken met niet-schermers knikten de mensen weliswaar welwillend (“Schermen? Wat leuk!”), maar maakten zich vervolgens pijlsnel uit de voeten.

Toch bleef ik. Want wat ze in de film níet lieten zien, was hoe schermen onder je huid kruipt. Hoe al het andere vervaagt in het licht van die éne, perfécte treffer, die ene keer dat alles wat je vooraf had bedacht, daadwerkelijk lukt. Het anticiperen op de bedoelingen en bewegingen van de ander. Links als hij rechts gaat. Langzaam als hij snel gaat. Hoe al na de eerste minuut het zweet van je lichaam gutst, terwijl je er nog zeker twee te gaan hebt, twee minuten waarin je nog eens álles moet geven. Alles voor dat éne moment, waarin alles wat je hebt geleerd samen moet komen in die ene, beslissende treffer.
De grootste kick.

Precies dat is wat de ene schermer de andere zal doen herkennen.
Zo stond ik ooit op een vol perron, te wachten op de trein. Naast mij stond een meisje met een enorme, langwerpige tas op wieltjes. Een schermtas.
Ik vroeg haar naar welke wedstrijd ze onderweg was. Zij vertelde het. We lachten naar elkaar. Alleen wij, samen, op dat volle perron, wisten hoe het was.
Toen de trein kwam, zei ze: “Tot ziens.” Want dat we elkaar ooit zouden treffen, zoveel was zeker.

Als je ooit schermer bent geworden, dan blijf je het, voor altijd. Het is een beetje zoals met de alcoholist die niet drinkt, of met de roker die niet rookt.
Zelfs nu nog, al ben ik alweer jaren gestopt, betrap ik me er wel eens op dat ik een pasje maak. Heel stiekem, als de gordijnen dicht zijn en niemand thuis is en ik vrij zeker weet dat niemand me kan zien. Soms, heel soms is het er, het verlangen naar dat ene, perfecte moment, die treffer waarvan je weet dat die maar op één manier kan gaan.
Schijn links, onderdoor en raak.

Kim Westerweel begon in 1995 met schermen bij studentenschermvereniging US, vanwaar zij de overstap maakte naar Contre Temps. Van 1998 tot 2000 maakte zij korte tijd deel uit van de nationale floretselectie. In deze periode schermde zij ook bij schermvereniging Zaal Visser. Hoewel zij sinds 2003 zelf niet meer actief schermt, draagt zij de club, waar een aantal van haar allerbeste vrienden nog steeds schermt, nog altijd een warm hart toe. Het enige wat zij níet mist, zijn de warming-ups van Paul.